Molentermen

Naast de grote variatie die Nederland kent aan molensoorten, zijn er ook landelijke verschillen in molentermen. Hedwig Sekeris van de Rijksuniversiteit Groningen en het Centrum voor Groninger Taal en Cultuur beschrijft enkele resultaten van onderzoek naar deze verscheidenheid in terminologie in Nederland, uiteraard met de focus op Groningen.

Als eerste de schijfloop, die bestaat uit een onder- en een bovenplaat met daartussen staven en die, bevestigd aan koningsspil of steenspil, gebruikt wordt voor het aandrijven van werktuigen in de molen.

De term schijfloop komt zoals op de kaart te zien is in heel Nederland voor, maar dan vaak gemengd met andere termen zoals ronsel, schijf of steenschijf. Eigenlijk zien we alleen in Groningen dat de term schijfloop exclusief gebruikt wordt.

Opvallend is dat juist schijfloop de oudere term is, die vroeger langs de hele Noordzeekust gebruikt werd en geassocieerd wordt met windmolens. Vanaf het jaar 1600 kwam de term ronsel in opkomst vanuit het Duitse Rijnland, waar ook vanouds windmolens stonden. De term verspreidde zich samen met deze windmolens met name in gebieden waar eerder vooral watermolens stonden, zoals in het oosten en zuiden van het land. Op plekken waar al eerder windmolens aanwezig waren kreeg de term ronsel juist minder voet aan wal.

Bron:
Molenaarstermen en molengeschiedenis: een onderzoek naar herkomst, ouderdom en verbreiding van de benamingen voor enkele molenonderdelen in verband met de geschiedenis van de water- en de windmolen in de Nederlanden – proefschrift van Jan Stroop (1977).

Afbeelding:
Meertens Kaartenbank, via www.meertens.knaw.nl/kaartenbank - samengesteld door Joep Kruijsen en Nicoline van der Sijs (2016).

Molentermen : Kaar

Als tweede kijken we naar de verspreiding van het woord kaar, of zoals men in Groningen zegt: romp. De kaar is de vierkante en trechtervormige silo, waarin het graan wordt opgeslagen en van waaruit het naar de maalstenen wordt geleid.

Hoewel in het grootste deel van Nederland de term kaar wordt gebruikt, valt op dat de term romp in het noorden en oosten, en dan met name in Groningen, vaker voorkomt. Deze termen klinken erg verschillend en hebben geen gemeenschappelijke voorouder, maar hebben toch iets gemeen. Beide termen worden historisch namelijk niet exclusief voor molens gebruikt, maar hebben hun oorsprong als een algemener woord voor een vaak trechtervormig voorwerp waarin je dingen kan bewaren. Deze betekenis van kaar is bijvoorbeeld terug te zien in immekaar, een oud woord voor bijenkorf waar volgens sommige taalkundigen ook het moderne woord imker van is afgeleid. In precies dezelfde betekenis vinden we in een aantal Duitse dialecten ook nog het woord immenrump voor bijenkorf.

Maar vanwaar deze geografische verdeling? Taalkundig is het aannemelijk dat het woord kaar zich vanuit het Duitse Rijnland naar Nederland verspreid heeft met de komst van de windmolen. Maar omdat er voor het noorden van Duitsland geen soortgelijke verspreiding van molentechnieken richting Nederland heeft plaatsgevonden, is deze verklaring voor romp niet aannemelijk. Juist omdat kaar en romp vroeger woorden waren die op veel manieren ingezet konden worden, vindt taalkundige Jan Stroop het aannemelijk dat gebieden die al gebruik maakten van het woord romp deze term als parallel aan kaar zagen, waardoor hij dus ook inzetbaar werd voor molens. Overigens is de verspreiding van kaar nog niet klaar, dus of Groningen altijd gebruik zal blijven maken van romp is nog maar de vraag.

Bronnen:
Molenaarstermen en molengeschiedenis: een onderzoek naar herkomst, ouderdom en verbreiding van de benamingen voor enkele molenonderdelen in verband met de geschiedenis van de water- en de windmolen in de Nederlanden – proefschrift van Jan Stroop (1977).
Etymologisch woordenboek van het Nederlands – samengesteld door M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009)

Afbeelding:
Meertens Kaartenbank, via www.meertens.knaw.nl/kaartenbank - samengesteld door Joep Kruijsen en Nicoline van der Sijs (2016).

Molentermen : Borsten

Naast de grote variatie die Nederland kent aan molensoorten, zijn er ook landelijke verschillen in molentermen. We kijken vandaag naar de verspreiding van het woord borsten, of zoals men in Groningen zegt: borstroeden.

In Nederlandse taalgebied zijn er twee basisvormen gangbaar om het dikkere deel van de roeden aan te duiden dat door de askop gaat, namelijk de borst of de pestel. Beide termen lijken afkomstig te zijn van het metaforisch gebruik van een lichaamsdeel. Bij de term borsten is er een verband te vinden tussen het feit dat de borsten het dikste deel van de roeden zijn en dat in het menselijk lichaam de borst over het algemeen ook het dikste deel is. Pestel is dan weer afgeleid van een oud woord voor een spier in de bovenarm. Ook hier is er een verband te leggen tussen de dikte van de bovenarm en de dikte van de balk. Op basis van de verspreiding van andere molentermen die parallel lopen aan de verspreiding van borst en pestel is het waarschijnlijk dat de termen tijdens de eerste windmolenexpansie mee zijn gebracht uit het Rijnland en uit het Zuidwesten respectievelijk.

Hoewel de term borsten en allerlei samenstellingen daarmee in ongeveer heel Nederland voorkomen, lijkt het erop dat de term borstroeden vrijwel exclusief is voor Groningen en een deel van Drenthe. Ook over de grens in Duitsland wordt de samenstelling met roeden niet gebruikt. Het lijkt hier dus te gaan om een typisch Groningse term, die om onbekende redenen later is ontstaan en zich maar beperkt verder heeft verspreid.

Bronnen:
Molenaarstermen en molengeschiedenis: een onderzoek naar herkomst, ouderdom en verbreiding van de benamingen voor enkele molenonderdelen in verband met de geschiedenis van de water- en de windmolen in de Nederlanden – proefschrift van Jan Stroop (1977).

Afbeelding:
Meertens Kaartenbank, via www.meertens.knaw.nl/kaartenbank - samengesteld door Joep Kruijsen en Nicoline van der Sijs (2016).